zeemijn

Zaterdag 19 mei 2007 - DEN HAAG - "Wat hier is gebeurd, zestig jaar nadat die bom was afgeworpen, had niemand kunnen voorzien", zegt Krijn van der Klooster, schipper van viskotter OD-1. Hij werkt in het ruim van zijn kotter aan de netten.
Op 6 april 2005 viste zijn bemanning onbedoeld een Amerikaanse vliegtuigbom uit de Tweede Wereldoorlog van de bodem van de Noordzee. Toen de netten aan boord werden gehesen, explodeerde de 500-ponder. Drie vissers kwamen om het leven, onder wie de zoon van de schipper.
Het ongeval zorgde voor een schok onder Nederlandse vissers, die al veel vaker oude bommen in de netten hadden hangen. Zelden ontplofte er een. Het ongeval met de OD-1 betekende het begin van een grote schoonmaakoperatie op de bodem van de zee.
Twee jaar later: op de bodem van de zee, ruim negen kilometer voor de Zeeuwse kust, Net als bij de OD-1 een oude Amerikaanse vliegtuigbom, weer een 500-ponder. "We hebben nog voor tientallen jaren werk op de Noordzee", zegt luitenant ter zee Olav Thesingh. Vanaf de brug van mijnenjager Hr. Ms. Schiedam kijkt hij hoe de ontploffing op dertien meter diepte een enorme zuil water omhoog stuwt. De trilling is te voelen door het hele marineschip.
Hoeveel bommen en mijnen de Noordzee nog herbergt, weet niemand. Het zijn er zeker duizenden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vlogen bommenwerpers af en aan over de Noordzee. Op de terugweg loosden ze de bommen die ze niet boven het door de Duitsers bezette Europa hadden afgeworpen in zee als overbodig geworden ballast.
Sindsdien komen de explosieven bijna dagelijks terecht in vissersnetten. Met alle risico's van dien. "Ook al zijn het explosieven van ruim zestig jaar oud, het blijven bommen", zegt Thesingh. Vissers gooiden ze, tot twee jaar geleden, meestal meteen weer terug in zee. De officiële procedure volgen - direct met het explosief naar een haven varen, waar de marine de bom onschadelijk maakt - betekende minder dagen op zee, dus minder visvangst, dus minder geld.
De ontploffing op kotter Ouddorp-1 veranderde alles. Vanaf die dag in april 2005 werd het ruimen van bommen op de Noordzee voor de nu honderdjarige mijnendienst van de marine de belangrijkste taak. Het aantal meldingen door vissers is sinds de explosie op de OD-1 toegenomen van vijftig per jaar naar bijna vijftig per maand.
"Vroeger werd er wel lacherig over gedaan", vertelt Van der Klooster op zijn kotter in de haven van Scheveningen. "Achteraf hebben velen vissersgeluk gehad. Zeker bij slecht weer, als het schip slingert, kan een bom in een net snel afgaan. Het is nu allemaal veel beter geworden. Sinds het ongeluk hier is er niet één visser die meer onverschillig omgaat met een bom of mijn. Je zou niet normaal zijn als je dat wel deed."
Een visser die nu een explosief opvist, meldt de Kustwacht waar hij de bom of mijn overboord zet. Alle kotters hebben een sonarboei gekregen, die ze aan het explosief vastmaken. De radar van een mijnenjager kan de bom daardoor snel terugvinden en onschadelijk maken. Inmiddels zijn al meer dan zeshonderd bommen en zeemijnen gemeld en voor het overgrote deel geruimd.
Routinieus glijdt matroos Mark Bosgra het Noordzeewater in, het 'blikkie' aan zich vast. In het blik zit achttien kilo springstof, die 'bom 594' moet laten springen. Met slechts vijftien centimeter zicht in het troebele water duikt hij naar dertien meter diepte, waar de 500-ponder ligt. Beneden bindt hij het blikkie aan de bom. Na tien minuten kruipt Bosgra in het rubberbootje, waar twee collega's hem opvangen. Ze varen honderd meter weg, waarna het blikkie vanaf de brug van de mijnenjager tot ontploffing wordt gebracht: na een leven van ruim zestig jaar ook het einde van bom 594.
Het oogt spectaculair, maar is voor iedereen op de Noordzee al gewoon. Elke kotter vist wekelijks wel een explosief op en de marine maakt er wekelijks zo'n zes onschadelijk.
"De schrik onder vissers als ze een bom opvissen is twee jaar na het ongeval wel weer voorbij", zegt schipper Van der Klooster van de OD-1. "Alleen bij mij gaat 'ie nooit meer weg."
>>In de oorlog vlogen bommenwerpers vaak terug met bommen. Die gooiden ze in de Noordzee. daar vormen ze nu een gevaar voor de vissers.
Opruiming
Na de oorlog werd slechts twee jaar structureel gewerkt aan het opruimen van de zeemijnen en gedropte vliegtuigbommen. Daarna werd er alleen nog incidenteel geruimd.
Het ongeval op de Nederlandse viskotter OD-1 in 2005 betekende het begin van de grote schoonmaakoperatie Beneficial Cooperation: samen met de Belgische marine is één van de tien Nederlandse mijnenjagers nu continu bezig met het ruimen van mijnen en bommen op de Noordzee. Daarnaast ruimen de mijnenjagers ook de vele bommen en mijnen die nog in de Oostzee. Bron : BN de Stem